Eiland in de Drup

Elle Lepoutre Verhalen

Elle Lepoutre schrijft proza, korte verhalen, kinderboeken en artikelen. In alles schemert een fascinatie door voor de wereld achter het onzichtbare.

In november verschijnt er een kort verhaal in literair tijdschrift Sintel.

Stoep

Blog | Een verhaal in wording I

Op een doodnormale dinsdagavond probeerde ik onder mijn partner te kruipen die zichzelf voordeed als dode hond. De gordijnen waren half open, maar ik geloof niet dat er op dat moment een buurvrouw voorbijliep aan wie ik zou moeten uitleggen dat ik research deed voor een verhaal. Ik ontdekte dat tijgeren met zo’n gewicht op je rug lastig is en bovendien slijten je knieën ervan. Op handen en knieën werkte beter en met het gezicht van mijn geliefde naast me stelde ik me voor dat het de kop van een hond was, compleet met slappe tong.

Zo werd het stukje dat ik de dag erna schreef:

“Als ik zeker weet dat hij dood is, wurm ik me onder hem en probeer zijn lichaam op mijn rug te hijsen als het schild van een schildpad. Ik moet hem begraven. De stoep is hard en Macho geeft geen centimeter mee, ik duw eerst mijn rechterarm onder zijn torso en wrik en pers net zo lang tot ik er met mijn lichaam onder lig. Met links trek ik zijn voorpoot over mijn schouder. Al tijgerend probeer ik vooruit te komen. Mijn knieën schuren over het asfalt en het gaat tergend langzaam. Een traan drupt uit mijn oog.

Ik bedenk me dat ik op handen en knieën waarschijnlijk beter vooruit kom en ik duw mezelf overeind, het kost kracht om het gewicht omhoog te hijsen en behendigheid om hem niet van me af te laten schuiven. Zijn kop bungelt links van me op een paar centimeter afstand van mijn hoofd, zijn tong wiebelt bij iedere beweging.”

De overbuurvrouw

Kort verhaal | De overbuurvrouw

Bij de jongen aan de overkant hangt een strop aan de houten steunbalk. Hij trekt eraan, haalt het touw los, knoopt het weer vast. Zijn gezicht is rood geschilderd en hij draagt een doorschijnend, zwart hemd waar je zijn tepels in ziet. Er staat een bed in de kamer en verder weinig, een camera op een statief en een tafelblad op schragen. Het meisje dat er wel vaker is komt binnen, ze heeft een kaalgeschoren hoofd en een vleeskleurige jurk om haar magere lijf, duidelijk even gek als hij. Ik geloof niet dat het om seks gaat bij die twee. En ik geloof ook niet dat die strop serieus bedoeld is. Het zijn kunststudenten of van die theatermensen. Laat ze een báántje zoeken, de thuiszorg heeft te weinig mensen. De vrouw van mijn steunkousen moppert altijd dat ze maar zes minuten krijgt. Ze drinkt niet eens van de koffie die ik voor haar klaar zet. Het koekje ligt te verpieteren.

Ik schuif mijn stoel dichter naar het raam toe. De jongen klimt op een keukentrapje en prutst wat met een laken dat het meisje omhoog houdt. Moet het een decor worden of zo? Die jongen kan er nauwelijks bij. Handig zijn ze niet. Als je iets in de nok wil doen moet je een ladder hebben, dat weet iedereen, of regel even een steiger. Het is de zolderetage van een mooi, oud pandje. Als Herman er nog was, zou hij het wel weten, paar mannetjes mee en hop. Hij tovert het om tot een paleisje.

Kat in de nacht

Kort verhaal | Kat II (Perceptie)

Het is bijna middernacht en ik zit met een kattenbeet in mijn onderbeen bij de huisartsenpost te wachten. Tegenover me een gezin met drie kinderen waarvan de jongste suf in de armen van haar moeder ligt. Af en toe niest het kindje en dan veegt de moeder zachtjes zijn neus droog. De vader ijsbeert door de ruimte, de twee andere kinderen hangen over een telefoon. Naast de balie zit een echtpaar met een huilende peuter. De baliemedewerker is aan het bellen. Als de vader van de peuter gaat polsen hoe lang het nog duurt, wappert ze met haar hand en drukt de telefoon dichter naar haar oor.

Ik heb een boek meegenomen en lees rustig over een vrouw die verliefd wordt op haar vroegere middelbare schoolleraar. De vaders klagen tegen elkaar dat ze lang moeten wachten en als de arts bij de deur verschijnt stormen ze gezamenlijk op hem af. De arts probeert ze af te poeieren door te zeggen dat iedereen aan de beurt komt en hij roept mijn naam. Ik zit er korter dan de rest en als ik met de arts meeloop hoor ik de vaders mopperen dat het een complot is, dat mensen die meer premie betalen sneller worden geholpen. Ik denk dat het komt doordat ik vanuit huis een afspraak heb gemaakt en zij op de bonnefooi naar de post zijn gekomen. Het is allemaal perceptie.

Net zoals mijn buurvrouw, die kattenliefhebber is, dacht dat ik iets raars heb gedaan om de kat die me heeft gebeten uit te lokken. In mijn beleving is dat niet zo. Ik liep met mijn hond over een brede stoep toen er ineens een donkergrijze kat met gebolde rug vanuit een portiek opsprong. Hij wilde mijn hond aanvallen maar omdat ik ertussen liep werd ik het slachtoffer. De arts geeft me een tetanusprik en stuurt me zo snel als hij kan weer weg. Ik bedank hem vriendelijk.

De magische loper

Kort verhaal | De magische loper

In de avondwinkel kom ik erachter dat ik mijn sleutel thuis heb laten liggen. Het is min tien graden buiten en ik sta op straat. Vrienden of familie met sleutels zijn er niet. Met een blik hondenvoer in de hand blijf ik bij de uitgang staan. Wat nu? Het meisje achter de balie roept iets wat ik niet versta. Wat moet zij nou? Laat me nadenken. Mijn pinpas doet het niet, ik heb tien euro op zak. Een slotenmaker bellen. Dat kan. Mijn mobiel ligt ook thuis.
Het meisje. Ik ken haar van gezicht omdat ik hier bijna iedere avond kom. Ze heeft altijd iets zwarts aan en van die omlijnde ogen, net iets te dikke wangen en een onderkin. Haar ogen zijn intrigerend, een beetje schuin alsof ze voor een deel Aziatisch is.
‘Kan ik je telefoon lenen?’
Ze geeft het ding, een antiek model. Helemaal hip, een telefoon die alleen maar belt. Ik zet het blik voer op de toonbank. Bello moet wachten.
‘Heb je internet hier?’
Ze wijst op de computer achter de toonbank.
Als ik haar vraag of ze een slotenmaker wil opzoeken begint ze over een loper die zogenaamd op alle deuren past. Ik wacht tot ze erbij gaat lachen, tof geintje, hoor.
‘Waar woon je?’ vraagt ze.
‘Twee huizen verderop.’

Waarom ik erin meega, weet ik niet – geen keuze, hè – maar even later lopen we in de vrieskou. Ze heeft de winkel gesloten. En warempel, de sleutel die ze tevoorschijn haalt past op mijn deur.

Cavialand

Kort verhaal | Cavialand

Er zat een luikje in de bodem van de caviakooi. Timmie wist dat wel. Wie het gemaakt had, wist hij niet. Iedere nacht ging hij naar een ander land: Groentewereld, Spellenrijk, Lavendelhooiland. Overdag knaagde hij verveeld aan zijn tralies en ’s nachts ging hij op pad. Op een zondag in oktober – het was een paar dagen na Dierendag (waar hij niets voor had gekregen) – brak zijn tand af. Zijn baasje had natuurlijk niets in de gaten. Zelfs niet toen hij een wortel liet liggen.

Die nacht ging hij rechtsaf naar Tandartsland, een bevriende cavia had hem daarop gewezen. Op iedere hoek van de straat zat een tandartspraktijk. De een prees zichzelf aan met een gigantisch kunstgebit op de gevel, de ander met een poort van gestreepte snoepstokken. Hij ging naar binnen bij een praktijk met ronde spiegels in de etalage. Een langoorkonijn zat achter de balie.
‘Afspraak?’
De cavia schudde zijn kop.
‘Ga daar maar zitten.’
Een hamster zonder tanden liep in een rad.
‘Ik wacht tot mijn tanden klaar zijn,’ sliste hij. ‘Ze maken ze na.’

De tandarts bleek een walrus te zijn. Vakkundig plakte hij een nieuw stukje tand aan. ‘En nu niet meer op ijzer knagen, ja!’

Thuis knaagde Timmie harder dan ooit aan de tralies, trots op zijn nieuwe tand. Het kon zijn baasje niets schelen. Toen hij de volgende nacht een nieuw land ontdekte met allerlei achtbanen besloot hij daar voor altijd te blijven. Hij plakte het luik stevig dicht.

Kat I

Kort verhaal | Kat I

Ik zie er een! Daar loopt-ie, erop af! De lijn staat strak. Ik draai me om en spring en hap naar mijn baasje. Dan laat ze me wel los. Yes, ze doet het. Erop af. Woef, woef! Hij rent weg, de angsthaas. Onder een stekelige struik midden in het hofje verstopt hij zich. Ha, ik weet waar je zit. In de verte hoor ik mijn naam. Blixie! Ik loop om de struik heen, van de andere kant kan ik er beter bij, nee, toch terug. Lafbek. Ik zie je puntige oren en je staart. Stik, ik kan ineens niet meer weg. De lijn haakt ergens aan vast. Nu durft hij wel, hij sist en haalt uit met zijn klauw. Au, mijn neus. Wegwezen. Ik kan niet weg. Gelukkig, daar is mijn baasje. Ze blijft op een afstand staan en loopt weer weg. Blijf! Zie je niet dat ik vast zit?

Hij blaast naar me en ik grom dreigend. Ik ben de baas van het hofje. Ik blaf nog eens. Mijn baasje komt terug en ze roept een paar keer ‘hier’. In haar hand heeft ze iets. Ik wil wel komen. Het kan niet. Yes, eindelijk ziet ze het. Nu niet meer happen. Ze maakt me los. Het beest sist met een bolle rug. Ik laat me meevoeren door mijn baasje. Mijn neus brandt. Binnen spring ik meteen op de bank en nestel me in mijn dekentje. Mijn neus veilig in de zachte stof. Rotbeest.

Langs het kanaal

Kort verhaal | Langs het kanaal

Papa zegt dat de bus vandaag niet rijdt. Hij keek heel lang naar het bordje bij de halte. Er was niemand aan wie we het konden vragen. Nu lopen we langs het kanaal. Ik heb het koud. Papa zegt dat het niet zo koud is vandaag. Twee grote zwanen vliegen in de lucht. Ze komen recht op ons af. Ik ga achter papa lopen. Ze landen op het water. Niet op ons. Het gaat mooi, het landen. Ze strekken hun poten uit en daarna zwemmen ze ineens. Ik wil dat papa me draagt. Hij zegt dat ik moet lopen. Met mama loop ik ook naar het huis van opa. Dat is omdat ze geen fiets heeft. Anders zou ik achterop mogen. Net zoals toen papa nog bij ons woonde.

De zwaan is ineens anders. Zijn kop is weg. Papa lijkt niet verbaasd. Hij zegt dat de zwaan in een andere wereld is. Op school moesten we iets tekenen over een andere wereld. Een kabouter die op de maan woont. Of een tovenaar die een schoen heeft als huis en als het huis te klein wordt, tovert hij er gewoon twee huizen van. Mama had dat ook moeten doen toen papa weg wilde. Nu moeten we heel ver lopen, omdat er geen bus is. Ik heb het koud. En heb honger. Ik vraag papa of er patat is. Van mama mag dat nooit. Ze zegt dat het slecht is voor mijn hartje. Ze hangt altijd over me heen en luistert dan. Alsof ze een dokter is. Papa vindt dat stom.